Zoekresultaten

Javaanse rebab

Javaanse rebab

Strijkinstrument van het Javaanse gamelanorkest. Het heeft een min of meer ovale klankkast, van achteren donkerrood gelakt en driemaal doorboord, van voren bespannen met buffelvel (gescheurd) dat aan de zijkanten door een reep stof met weefwerk is vastgezet. Aan de achterkant van de klankkast bevindt zich een lederen zakje voor reservematerialen. De hals loopt door de klankkast heen en gaat over in de punt. Een koperen snaar wordt door de bovenkant van de hals met beide uiteinden aan de twee gedraaide zijstandige stemschroeven bevestigd en loopt via de hoge platte kam op het vel rond een metalen schroefring in de punt en is aldus tweemaal over het instrument gespannen. De twee delen worden gestemd in 'Gulu' en 'Nem', dat wil zeggen, in Gamelan Pelog: Es - Bes en in Gamelan Slendro: E - B. De snaarhelften worden 'Jindra' (mannelijk) en 'Istri' (vrouwelijk) genoemd. De sterk gekromde strijkstok wordt in de rechterhand gehouden, waarbij ringvinger en pink het paardenhaar spannen. Het instrument heeft geen toets, de toonhoogte kan door enkele druk van de vingers worden bepaald op een uiterst verfijnde manier (kwarttonen etc.). De strijkstok (Kosok of Chèngkok), de punt, hals en schroeven zijn in donkerrood, zwart, mosgroen en goud gelakt en beschilderd. Aan de punt van de strijkstok is een vis uitgesneden, aan de slof een vogelkop. In het gamelanorkest is de rebab het melodie-instrument bij uitstek. De bespeling is voorbehouden aan de leider van het orkest. Bij het instrument hoort een sierlijk gesneden statief in dezelfde kleuren. In 1964 gereviseerd door Otto Stam te Utrecht. Java (Indonesië). In 1938 door M. Hille Ris Lambers geschonken aan de collectie Minnaert. Lengte 123 cm, lengte klankkast 21,5 cm, maximale breedte klankkast 17 cm. Schenking Minnaert 1963